Dood en begraven op de Zuid-Hollandse Eilanden

In de uitgave zomer 2007 van "Op 't Sluis”, het periodiek van de Oudheidkamer in Pernis, stond een artikel over gebruiken rond dood en begraven op de Zuid-Hollandse eilanden. Jan van der Schee schreef het aan de hand van het boek "In Zoete Mijmerij” van H.A. den Hartigh. We willen u dit niet onthouden.


Dit keer wilde ik het over een onderwerp hebben waar wij vroeg of laat allemaal een keer mee te maken zullen krijgen: Het overlijden en begraven. Ik kwam in een boek een aantal graf- en rouwgebruiken tegen uit vorige eeuwen op het platteland van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden, waarvan er met een aantal van deze gebruiken pas in de tweede helft van de vorige eeuw mee gestopt is. 

We beginnen met het lijkhemd, ook wel doodshemd genaamd. Het leek op een normaal boeren nachthemd en was gemaakt van zelf gesponnen en geweven linnen. Het behoorde tot een van de eerste stukken die een bruid maakte voor haar uitzet. Het was de gewoonte om het in haar eerste huwelijksnacht de dragen, daarna werd het gewassen en opgeborgen in de linnenkast, om het weer te voorschijn te halen bij het overlijden van deze persoon. Er waren diverse tradities bij het maken van het doodshemd: Op het hemd waren de initialen van de voornaam geborduurd en het mocht niet langer zijn dan de enkels. Het hemd werd met een draad en een naald genaaid. De naald werd bij het opbergen in de linnenkast onder in het hemd gestoken en als deze persoon overleden was, werd de naald gebroken en in de doodskist gelegd. Ook werd de naald soms in het vuur gegooid, zodat hier niets van overbleef. 

Vroeger werd de overleden persoon op een baar begraven. Pas in de zeventiende eeuw ging men over naar het begraven in doodskisten. De dorpstimmerman had altijd wel enkele kisten in voorraad staan, alleen bij de beter bij kas zittende personen en mensen met bovengemiddelde lichaamsmaat moesten kisten nog gemaakt worden. Sommige rijke boeren hadden de eikenplanken voor hun, wat ze dan zeiden, "houten overjas” al vanaf hun trouwdag klaar staan. Bij de gewone man was de kist echter van ruw, ongeverfd hout zonder hengsel of enige andere versiering. 

Een bijzondere oude manier van lijkbedekking was stro, een goedkoop materiaal waar iedereen wel aan kon komen. Zo werden de allerarmsten, die nog geen doodslaken konden betalen, naakt in het stro gewikkeld en zo naar het kerkhof vervoerd en begraven. De uitdrukking "hij ligt op stro” (hij is overleden) slaat hierop. Rond 1850 was het nog wel de gewoonte bossen tarwestro op de stoep voor het huis te leggen, ten teken dat er een overledene in huis stond. Men had het dan over lijkstro. Bij mannen werden de bossen stro rechts en bij vrouwen links van de deur gelegd. Alleen als er dan een kind in het eerste levensjaar overleed, werd de strobos niet neergelegd, maar aan de deurpost of aan de muur bij de deur opgehangen met een palmtakje erop voor een jongen en een tijm takje voor een meisje. 

Als de persoon overleden was, werd het "aanzeggen” op het platteland door de buren gedaan. Zij kwamen in het sterfhuis bijeen en trokken briefjes met de namen die zij de doodstijding moesten aanzeggen. Dit kon dichtbij, maar ook veraf zijn. Soms moesten ze een dag lopen, maar iedereen die het moest weten, werd persoonlijk aangezegd. De aanzegger was altijd deftig in het zwart gekleed en meldde zich bij de betreffende persoon aan de voordeur in plaats van de gebruikelijke achterdeur om het nieuws te vertellen. Later werd dit gebruik overgenomen door de begrafenisdienaar en kwamen er rouwkaarten voor in de plaats. 

Het was de gewoonte op het sterfhuis een of meer vensterluiken uit de hengsels te lichten en op de grond te zetten tot de dag na de begrafenis. Meestal werden de luiken van het sterfhuis geheel gesloten. Ook de luiken van de naaste buren werden aan een zijde gesloten, zodat links openstaande vensterluiken "vertelden” dat de gestorvene links van hun woonde of andersom. Bij de huizen zonder vensterluiken werden witte lakens voor de ramen gedaan en op de dag van begraven waren ook de ramen van de buren op deze manier gesloten. Zodra een sterfgeval plaatsvond, werd in het sterfhuis de klok stilgezet. Ook werden de spiegel en de schilderijen omgedraaid en de bloemen uit huis gehaald. Aards vertoon moest nu eenmaal worden vermeden! De spiegel en de schilderijen bleven omgedraaid tot de eerste maandag na de begrafenis. 

De oorspronkelijke rouwkleur in Europa was wit, pas na 1500 raakt zwart in Europa als rouwkleur ingeburgerd. Een oude vorm van uiterlijke rouw is het neerslaan van de rand van de hoed. Een opgestoken hoedrand straalt moed en blijdschap uit. De mannen hoeden waren zeer gevarieerd van model, niet altijd van de nieuwste mode, want de meeste mensen hadden in hun leven aan een hoed genoeg, deze werd dan tientallen jaren gebruikt voor trouw, doop of begrafenissen. Oude rouwgewaden zijn de zwarte, lange, wijde mantels, die veel op de pij van een monnik leken. De mannen droegen hierbij een zwarte hoed met de lamfer. De vrouwen een wijde kap, de huik of sloof geheten. De uitdrukking "die arme sloof” is van dit kledingstuk afkomstig. Later werd de sloof vervangen door de grote zwarte doek, waarin de vrouw zich geheel kon verbergen. Deze doek werd "falie” genoemd. Begin 1900 werd dit boerse rouwkleed vervangen door een tule sluier die op de hoed bevestigd werd en voor het gehele gezicht hing. Zware rouw duurde twee jaar en zes weken en werd aangenomen voor een vader, moeder of kinderen. 

Lichte rouw duurde een jaar en zes weken en werd aangenomen bij overlijden van een ander familielid. Sommige grote boerderijen hadden een speciale "lijkdeur”, deze was meestal in de voorgevel gemaakt en werd alleen maar gebruikt bij trouwerijen en begrafenissen. Als het zover was dat de stoet naar de begraafplaats ging, begon de kerkklok te luiden. Hoe rijker, hoe langer deze luidde. Dit nam een aanvang bij het verlaten van het sterfhuis en stopte als de stoet weer aangekomen was bij het sterfhuis. De klokkenluider liet hierbij de klok ver door slingeren, om een langzame cadans te krijgen, het geluid klinkt dan zwaar, dreigend en somber. 

Tot na de Tweede wereldoorlog werd er nog gebruik gemaakt van een door paarden bespannen lijkkoets. De paarden zijn dan bedekt met een zwart kleed, afhangend tot halverwege de benen. Over het hoofd hebben de paarden een zwarte kap met zwarte pluimen. Het geheel is zeer indrukwekkend. Een enkel jaar geleden was er op ons dorp nog een begrafenisstoet op deze wijze. Tijdens zo’n ouderwetse begrafenis was er een bijzondere sfeer in het dorp, iedereen had eerbied voor de overledene en de familie. De kinderen werden binnengehaald, het verkeer werd door de veldwachter, die voor de stoet liep, gemaand te stoppen. Waar de stoet voorbij kwam, werden de gordijnen of vensterluiken gesloten. Mensen op straat bleven staan en namen de pet of hoed af en hielden deze voor de borst tot de stoet voorbij was. 

Eeuwenlang vond bij terugkomst in het sterfhuis het z.g. rouw maal plaats. Bij zulke uitvaartmaaltijden werden grote hoeveelheden rundvlees, varkensvlees, speenvarken, hammen en kaas verorberd, naast grote hoeveelheden wijn en bier of oude klare. Een begrafenis zonder drank was beslist ondenkbaar. Zelfs de doden die door de diaconie werden begraven wilde men de schande van een begrafenis zonder "dodenbier” besparen. In de 19de eeuw zijn deze rouwmaaltijden uit ons volksgebruik verdwenen, vooral ook door het drankmisbruik en de vaak abnormaal hoge kosten. In Brabant en Limburg kwam dit gebruik nog voor in de jaren ‘30 van de vorige eeuw. 

Al de oude gebruiken zijn voorbij, "in de rouw gaan” is praktisch verdwenen, zelden wordt er nog "gesloten” tijdens een begrafenis, rouwkaarten en een overlijdensadvertentie zijn in plaats van het aanzeggen gekomen. De lijkkoets heeft plaats gemaakt voor de lijkauto. Een bakje koffie in plaats van doden bier. Zo kunnen we nog even doorgaan, maar misschien komen er toch bij u enkele herinneringen op bij het lezen van dit verhaal.  

Genealogie Van der Steen, verhalen en stambomen, leren uit het verleden.

Terug naar Verhalen.